Inhoud


Planning Inspectielijst

Techniek

Het voegen van metselwerk, zowel bij een binnen- als buitengevel, is een weersgevoelige bewerking. Een vers gevoegde muur kan na een regenbui een cementsluier te zien geven waardoor een bijzonder ontsierend beeld kan ontstaan. Het voegen bij felle zon kan ertoe leiden dat de voegspecie verbrand waardoor de kwaliteit van het voegwerk sterk achteruit kan gaan.

1. Metselmorteladvies
De kwaliteit van de voeg staat niet meer ter discussie, deze is in het bestek vastgelegd. Bovendien dient er tijdens het opstellen van het metselmorteladvies eveneens een voegmorteladvies te zijn uitgewerkt. In de voorbereidingsfase is onderzoek gedaan naar de kwaliteiten van de metselsteen en zijn metsel- en voegmortel afgestemd op de desbetreffende stenen.

2. Proefmuur:
De esthetische vorm van de voeg, alsmede de exacte kleur, is echter vaak nog een bron van discussie. De bouwbegeleider dient tijdig een proefmuur te laten metselen en hierop een aantal voegmonsters te laten zetten. Het bestek en de afwerkstaat exterieur zijn hiervoor het uitgangspunt. Indien er slechts één kleur voegwerk van toepassing zal zijn, kan worden overwogen een voegmonster op te zetten in een reeds gemetselde gevel.
In de proefmuur zullen ook de diverse metselwerk details tot uiting moeten komen; ook deze dienen gevoegd te worden om te zien wat het resultaat gaat worden. Vooral bij het gebruik van meerdere kleuren voegen is van belang de overgangen juist uit te voeren.

3. Diepte voeg
Nadat de vorm van de voeg bekend is geworden, kan ook worden vastgesteld hoe diep de metselmortel dient te worden uitgekrabd. Een schaduwvoeg vraagt meer ruimte dan een platvol afgewerkte voeg. Een standaard regel is dat de dikte voeg gelijk is aan de diepte van de voeg.

4. Kwaliteit
Het voegen is een specialisme. Vaak wordt hiervoor een aparte onderaannemer aangetrokken.
De bouwbegeleider zal zich dienen te realiseren dat de voeger zich ten doel stelt om een bepaalde productie per dag te willen realiseren. Om die reden dient de ondergrond die hem wordt aangeboden zo compleet mogelijk te zijn. Het metselwerk dient te worden gecontroleerd alvorens met het voegwerk wordt aangevangen. Indien er sprake is van onvoldoende diep uitgekrabde voegen of van te kleine stootvoegen, dan dienen hierover afspraken te worden gemaakt met de aannemer. Indien een gevel vervuild is, kan het verstandig zijn deze vooraf te reinigen. Vooraf moet de volgorde van het voegen worden vastgesteld (zie Organisatie) en indien van toepassing de demontage van de steiger. Ook dient de hardheid van de voegen en de vorm van de voegen besproken te worden; beide zijn al bij de proefmuur beoordeeld.

5. Zandreserve
Wordt de voegspecie met de hand op het werk samengesteld, dan kan het belangrijk zijn om het zand dat is vastgesteld bij het proefmonster in voldoende mate te reserveren en zelfs als één partij te laten aanvoeren op het werk. Door deze actie wordt kleurverschil in het voegwerk tot een minimum beperkt.

6. Nat maken
Het vooraf nat maken van een gevel, als bijvoorbeeld de zon deze gevel sterk heeft uitgedroogd en verwarmd, is niet exact voor te schrijven. Het is een zaak van vakmanschap van de voeger en van ervaring van de bouwbegeleiders. Hetzelfde geldt voor een gevel die door regen erg nat is geworden. Het voegen bij regenachtig weer blijft een risicovolle bezigheid. Als de regen niet direct op de gevel slaat, zou er in principe kunnen worden gevoegd.

7. Uitsparingen
Als steigeronderdelen of verankeringen zijn uitgespaard in het metselwerk, dan dienen deze bij het demonteren van de steiger te worden aangemetseld. Zo mogelijk dient dit één dag voordat de gevel zal gaan worden gevoegd te worden uitgevoerd opdat de metselmortel enigszins is verhard.

8. Nabewerken
Het nabewerken heeft in hoofdzaak betrekking op het voorkomen van verbranding van de voegspecie. Indien ‘s morgens in de schaduw is gevoegd en ‘s middags staat de zon op deze gevel, dan moet de gevel regelmatig worden natgemaakt door middel van nevelen. Dit moet met beleid geschieden.

9. Restanten
Bij het nabewerken behoort zeker het verwijderen van de restanten van de voegspecie. Dit is van zeer groot belang. Specie kan glas etsen en een corroderende werking hebben op aluminium. Ook op andere onderdelen van de gevel, bijvoorbeeld raamdorpels, kan het een cementsluier achterlaten indien de voegspecie niet tijdig is verwijderd.

10. Voeghardheidsmeter
Het vaststellen van de kwaliteit van de voeg kan alleen achteraf. Hiervoor is een ‘voeghardheidsmeter’ ontwikkeld. Hiermee kan na 14 dagen een meting worden uitgevoerd om te controleren of de juiste kwaliteit is geleverd. In de CUR-aanbeveling 61:2013 deel B ‘het voegen en hydrofoberen van metselwerk’ staan de spelregels hoe te handelen bij de meting van de hardheid en hoe te handelen als de vereiste kwaliteit niet wordt gehaald. Ook zijn er diverse andere publicatie te vinden op internet die gaan over deze materie.

11. Dilataties en lood
Bij dilataties en aansluitingen met lood moeten goede afspraken worden gemaakt over wat wel en wat niet verantwoord is om te voegen. Vuistregels hier is, dat voegen waar lood is toegepast, een flexibele voeg moeten krijgen. Dilataties kunnen ook niet worden gevoegd met een voegspecie en moeten of open blijven of worden afgekit.

12. Kopse aansluitingen
Betonlateien staan erom bekend dat zij anders werken dan metselwerk. De kopse aansluitingen kunnen dan ook niet worden gevoegd.

13. Doorstrijken
Bij doorgestreken voegen, dat wil zeggen dat de uitpuilende metselspecie wordt nagedrukt met de voegspijker of een handroller (pointmaster) is het belangrijk dat niet teveel wordt doorgestreken. Dit verhoogt de kans op ontmenging van de specie en kan kleurverschillen tot resultaat hebben.

14. Kalkzandsteen
De stenen zijn sterk vochtabsorberend. De muur moet worden bevochtigd, zodanig dat de gevel tijdens het voegen niet besmet en de voegspecie niet verbrandt door te snelle onttrekking van vocht uit de specie.



Planning Inspectielijst