1. Materiaalkeuze
In het bestek moet er wel een keuze zijn gemaakt uit de materialen. In NEN 2747 wordt de classificatie en meting van de vlakheid en evenwijdigheid van vloeroppervlakken beschreven.
2. Dikte
Bij het vaststellen van de verdiepingshoogten moet helder zijn welke typen vloerafwerkingen voor komen in het project. Daarnaast moet bekend zijn welke leidingen in de dekvloer moeten worden verwerkt. Op basis van deze gegevens ontstaat duidelijkheid over de hoogte van de dekvloer ten opzichte van het vloerpeil. De aldus ontstane dikte geeft gelijk inzicht in de wel of niet noodzakelijkheid van krimpwapening.
3. Druksterkte
De druksterkte wordt aangegeven met de letter D, gevolgd door de waarde van de druksterkte in N/mm². Bij anhydriet gebruiken we de letters GD. Welke druksterkte er wordt gekozen hangt af van de gebruiksfunctie van de vloer, maar ook van hoe snel de vloer weer belastbaar moet zijn. Bij een snelle ingebruikname van de vloer waarbij hij vol belast kan worden, kan het nodig zijn een hogere druksterkte toe te passen.
4. Anhydriet
Indien het bestek expliciet anhydriet voorschrijft, moet tevens de nabehandeling zijn omschreven. Afhankelijk van de oorsprong van het gips moet de slemlaag, die ontstaat na droging van de vloer, worden weggeschuurd nadat de vloer is uitgehard.
5. Druklaag
Indien het constructieve ontwerp voorziet in vloersystemen met constructieve druklagen, kan worden overwogen deze eventueel te combineren met de morteldekvloer. Door de druklaag (meestal van beton) af te vlinderen, kan daardoor een uitstekende dekvloer worden gerealiseerd (hier wordt niet een monolithisch afgewerkte vloer bedoeld).