1. Gescheiden stelsel
In opzet moet de HWA (hemelwaterafvoer) en de DWA (dikwaterafvoer, vuil water) installatie gescheiden worden ontworpen. Beide systemen moeten tot aan de erfgrens gescheiden blijven. Indien een gemeente nog geen gescheiden systeem heeft, dan zal zij beide leidingen aansluiten op hetzelfde gemeenteriool, tot het moment dat ook dit gemeenteriool gescheiden wordt uitgevoerd.
2. Dubbele vuilwaterafvoer
Indien de aard van een gebouw met zich meebrengt dat een vetafscheider noodzakelijk is, dan zal voor die afvoerpunten een separaat leidingstelsel worden aangelegd. Dit separate systeem heeft een aansluiting op de vetafscheider en kan pas na deze afscheider alsnog worden aangesloten op het vuilwatersysteem. Dit kan het geval zijn als een kantoorgebouw of een restaurant een eigen keuken zal krijgen. Ook garages krijgen een separate vuilwaterafvoer. Bij laboratoria moet mogelijk hittebestendig materiaal worden toegepast.
3. Hemelwaterafvoer
Voor het afvoeren van hemel¬water moet een keuze worden gemaakt tussen de traditionele systemen en de vacuümsystemen. De laatstgenoemde werken met het principe van onderdruk en kennen aanmerkelijk kleinere leidingdiameters. Bovendien moet onderzocht worden of het hemelwater geloosd mag worden op het gemeenteriool. Er is een beleid ingezet dat ernaar streeft om het hemelwater zoveel mogelijk op het terrein te houden waar de regen valt.
4. Dimensionering
De binnenriolering voor woningen is in opzet zeer eenvoudig, mits een paar zaken in de gaten worden gehouden. Zo moet de ontspanningsleiding tenminste dezelfde diameter hebben als de standleiding. Er kan in sommige gevallen een reductie van 20% worden gehanteerd, zie hiervoor de NEN 3215. Bij hoogbouw moet rekening gehouden worden met het toepassen van een omloopleiding op de laagst gelegen verdieping. Bij grotere werken volgt de dimensionering uit een op te stellen berekening.
5. Isoleren
Twee belangrijke zaken zijn condensatie op de leidingen, bijvoorbeeld bij inpandige hemelwaterafvoeren, en geluidsoverlast bij vuilwaterleidingen. In beide gevallen moeten de leidingen geïsoleerd worden. Als een leiding aan het plafond van een parkeergarage wordt bevestigd en er is kans op bevriezing, dan moet worden gedacht aan een verwarmingslint om de leiding.
6. Brandwering
Bij parkeergarages en winkelcentra hebben we te maken met de brandwerendheid van de constructies. Alle leidingdoorvoeren moeten voldoen aan de eis die voor de constructie geldt. Soms kan dit met brandmanchetten worden bereikt, soms moeten stalen rioleringsbuizen worden toegepast. Per gemeente wordt hier verschillend over gedacht, dus overleg met Bouw- en Woningtoezicht is noodzakelijk.
7. Gemeente-aansluiting
Bij het ontwerp zal de architect moeten onderzoeken waar de mogelijkheden liggen om aan te sluiten op de gemeentelijke riolering. Voorkomen moet worden dat er onnodig een gemeentelijk riool moet worden omgelegd voor rekening van de opdrachtgever. Tevens moet worden gedacht aan het toepassen van terugslagkleppen als er een reëel gevaar is voor verstopping van het hoofdriool, bijvoorbeeld omdat de afmeting hiervan klein is. Een terugslagklep voorkomt het terugspoelen van afvalwater in het gebouw, bijvoorbeeld bij overbelasting van het gemeenteriool.